Het werkelijke aantal jongeren in intensieve een-op-een jeugdzorg blijkt twee keer zo groot als eerder werd aangenomen. Minister Mirjam Sterk (Jeugd, CDA) schreef aan de Tweede Kamer dat zij ronduit geschrokken is van de omvang. Wat er achter die cijfers schuilgaat, roept bovendien ernstige vragen op over de kwaliteit van de geboden hulp.

Wat ging eraan vooraf
Het onderzoeksprogramma Zembla trok eerder al aan de bel over de zogeheten een-op-eenplaatsingen in de jeugdzorg. Volgens die eerdere schatting ging het in drie jaar tijd om minimaal 400 kinderen. Dat leek al verontrustend. Nieuw onderzoek door het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) laat echter zien dat de werkelijkheid in mei al ruim boven die schatting uitsteeg. Bovendien gaat het onderzoek verder dan alleen de een-op-eenplaatsingen: ook jongeren die buiten hun eigen regio verblijven, kwamen in beeld.
De een-op-eensituatie houdt in dat een jongere het grootste deel van de dag exclusief met één begeleider, of soms meerdere begeleiders, doorbrengt. Dat klinkt intensief, en dat is het ook. Oorspronkelijk was dit type zorg bedoeld voor kinderen met zeer complexe problemen die nergens anders terechtkunnen. Toch blijkt de toepassing ervan inmiddels veel breder dan ooit de bedoeling was.
Meer dan 750 jongeren in mei
Uit het onderzoek van het OZJ blijkt dat in mei ruim 750 jongeren in zo’n intensieve een-op-eenvorm van jeugdzorg zaten. Daarmee is het aantal bijna verdubbeld ten opzichte van de eerdere schattingen van Zembla. Daarnaast verbleven nog eens ongeveer 1550 jongeren bij een jeugdhulpaanbieder buiten hun oorspronkelijke regio, waarmee de gemeente aanvankelijk geen contract had gesloten. Dat kan ook betekenen dat zij mogelijk zelfs in het buitenland verblijven, al is het exacte aantal daarvan niet bekendgemaakt.

Minister Sterk heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten geschrokken te zijn van deze aantallen. Zij benadrukt dat het gaat om jongeren met ingewikkelde problemen die op andere locaties niet de juiste hulp krijgen. Toch is dat voor haar geen rechtvaardiging voor de huidige situatie. De minister heeft eerder al uitgesproken dat dergelijke plaatsingen onwenselijk zijn, en die visie herhaalt ze nu met kracht.
Vakantieparken en afgezonderde locaties
Een van de meest opvallende bevindingen gaat over de plekken waar deze jongeren terechtkomen. Onderzoekers schrijven dat jongeren soms op vakantieparken belanden, of op andere locaties ver van hun thuis. Op zulke plekken zijn vaak weinig of geen activiteiten met andere kinderen of jongeren. Daarmee verdwijnen kansen op sociale ontwikkeling en een normaal dagritme. Bovendien is het lang niet altijd duidelijk of de betrokken hulpverleners de benodigde kennis en opleiding hebben.
Niet elke locatie in het onderzoek was overigens zo sterk afgezonderd als een vakantiehuisje. Ook aparte ruimten op het terrein van een instelling, of plaatsingen in een kleinschalige groep, telden mee in de cijfers. Toch maakt dat het beeld niet minder zorgwekkend. Minister Sterk is duidelijk: een jongere moet, waar mogelijk, zo thuis mogelijk opgroeien. Een afgezonderde locatie, hoe klein ook, past daar niet bij.
Kosten lopen op tot een miljoen per kind
Naast de zorgen over kwaliteit speelt ook de financiële kant een grote rol. Volgens Zembla kosten dergelijke plaatsingen enkele tonnen en soms zelfs een miljoen euro per kind per jaar. Het ministerie van Volksgezondheid zegt die bedragen te herkennen. Dat zijn enorme bedragen, zeker als tegelijkertijd vraagtekens bestaan bij de effectiviteit van de geboden hulp. De vraag dringt zich op of gemeenten en het Rijk voldoende zicht hebben op wat er met dit geld gebeurt.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inkoop van jeugdzorg. Echter, wanneer een jongere buiten de regio geplaatst wordt bij een aanbieder zonder gemeentelijk contract, raakt het toezicht al snel versplinterd. Daardoor ontstaat een situatie waarin niemand goed weet wat er precies op die locaties gebeurt, en wie er controle houdt over de kwaliteit van de zorg.
Roep om ingrijpen groeit
De brief van Mirjam Sterk aan de Tweede Kamer is een signaal dat het kabinet dit dossier serieus neemt. De geschrokken toon van de minister laat zien dat de cijfers ook beleidsmakers verrast hebben. Eerder al had zij aangegeven dat dit soort situaties onwenselijk is. Nu de omvang duidelijk is, groeit de druk om met concrete maatregelen te komen.
Het OZJ deed onderzoek naar de groep jongeren in deze bijzondere situaties en legde de bevindingen bij de minister neer. Op basis daarvan moet Sterk nu besluiten hoe zij de jeugdzorg structureel wil verbeteren. De combinatie van hoge kosten, twijfelachtige kwaliteit en een gebrek aan toezicht maakt dit een urgent vraagstuk. Niet alleen voor de politiek, maar ook voor de jongeren zelf, die recht hebben op zorg die daadwerkelijk bij hen past.

Volgende stappen in het jeugdzorgdossier
De Tweede Kamer ontving de brief van minister Sterk op 1 september 2026. Naar verwachting volgt er een debat over de bevindingen en de koers die het ministerie wil inzetten. De centrale vraag daarin is hoe gemeenten, zorgaanbieders en het Rijk beter samen kunnen werken. Alleen zo kunnen kwetsbare jongeren eerder de juiste hulp krijgen, dichter bij huis, en met begeleiders die echt weten wat zij doen.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl










