Minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (D66) wil zijn eigen wetsvoorstel opnieuw bekijken. Hij zei zondag 4 oktober in Buitenhof dat hij “in toenemende mate twijfel” heeft bij het plan om dwangsommen rond WIA-aanvragen tijdelijk af te schaffen. De bewindsman noemt het rechtsgevoel van mensen als belangrijkste bron van zijn twijfel. Daarmee komt een voorstel dat bedoeld was om het UWV te ontlasten onder druk te staan van de minister zelf.

Waarom het UWV nu dwangsommen betaalt
Mensen hebben recht op geld als het UWV te lang doet over hun aanvraag voor een WIA-uitkering. Die vergoeding heet een dwangsom en is een bestuurlijke boete voor een uitvoeringsorganisatie die te traag beslist. Het is een prikkel voor het UWV om binnen de termijn een besluit te nemen. Voor aanvragers is het tegelijk een tegemoetkoming voor de tijd die zij zonder duidelijkheid moeten overbruggen.
Vanwege grote achterstanden wilde Vijlbrief tijdelijk van deze bestuurlijke boetes af. Het idee achter het wetsvoorstel was dat het UWV zich dan kan concentreren op het wegwerken van de achterstanden. De organisatie zou niet langer hoeven te rekenen met dwangsommen die door die achterstanden juist oplopen.
Het argument voor de uitvoering
Vijlbrief gaf zondag zelf aan waarom hij het voorstel indertijd zinvol vond. “Het afschaffen van die dwangsom helpt de uitvoering”, zei hij. “Het zorgt ervoor dat het UWV niet in rechtszaken terechtkomt en niet hoeft na te denken over die dwangsommen.” Volgens de minister levert de maatregel de uitvoeringsorganisatie dus winst op in twee opzichten: minder juridische procedures en minder administratieve afhandeling rond de boetes.

Dat argument staat in zijn eigen woorden nog overeind. De minister trekt het niet terug. Hij zet er een tegenwicht tegenover dat zwaarder is gaan wegen.
Het rechtsgevoel als kern van de twijfel
“De twijfel komt vooral voort uit het rechtsgevoel bij mensen”, lichtte Vijlbrief toe. Hij schetste meteen hoe het plan bij aanvragers kan overkomen. “Maar het kan mensen het gevoel geven: waar kan ik mijn recht nog halen?” Met die vraag benoemt de minister het kernprobleem van het voorstel. Wie wacht op een beslissing van het UWV en daarbij niet meer kan terugvallen op een dwangsom, kan zich machteloos voelen tegenover een orgaan dat te laat is.

Opvallend is dat de minister zijn twijfel niet alleen juridisch maar ook psychologisch formuleert. Het gaat hem om wat de maatregel met het vertrouwen van mensen doet, naast de vraag of de wet formeel houdbaar is. Een uitkeringsaanvraag raakt direct aan iemands inkomen na arbeidsongeschiktheid, en juist dan telt het gevoel dat er een middel is om een trage uitvoerder aan te spreken.
Advies van de Raad voor de rechtspraak
De twijfel van de minister staat niet op zichzelf. Eerder adviseerde de Raad voor de rechtspraak hem om de wet niet in te dienen. Volgens de Raad vermindert het voorstel “de rechtsbescherming van mensen die wachten op een beslissing van het UWV”. Dat is een inhoudelijk zwaar bezwaar: het gaat niet om de uitvoering, maar om de positie van de aanvrager.
De kritiek van de Raad voor de rechtspraak raakt precies het punt dat Vijlbrief nu zelf noemt. Waar de Raad de rechtsbescherming als bezwaar aanvoert, spreekt de minister over rechtsgevoel en de vraag waar mensen hun recht nog kunnen halen. De bronnen vermelden geen datum waarop het advies werd uitgebracht.

Uitvoerbaarheid tegenover rechtsbescherming
De afweging die Vijlbrief maakt, is daarmee helder. Aan de ene kant staat een UWV dat kampt met grote achterstanden en dat volgens de minister gebaat is bij het vervallen van de dwangsommen. Aan de andere kant staat de rechtsbescherming van aanvragers, die juist door de dwangsom een middel hebben als een beslissing te lang uitblijft.
Dat de minister zijn eigen voorstel nu in twijfel trekt, wijst erop dat het tweede gezichtspunt voor hem zwaarder is gaan wegen. Hij formuleert het zelf als een groeiende twijfel, niet als een definitief besluit. Zijn woorden laten ruimte voor aanpassing, maar ze betekenen niet dat het plan van tafel is.

Wat de minister nu gaat doen
Concreet kondigde Vijlbrief twee stappen aan. Hij gaat nog een keer naar de maatregel kijken en hij gaat in gesprek met de Tweede Kamer. Daarmee geeft hij de volksvertegenwoordiging een rol in de herbezinning, voordat een definitieve keuze wordt gemaakt over het wetsvoorstel.
Over de uitkomst van die gesprekken is niets bekend. Het is dus niet vastgesteld dat de minister het voorstel intrekt, wijzigt of toch doorzet. Ook een datum voor het overleg met de Kamer is niet genoemd. Duidelijk is alleen dat de bewindsman zijn eigen plan niet langer zonder voorbehoud verdedigt.
Wat dit betekent voor wachtende aanvragers
Voor mensen die op een WIA-beslissing wachten, blijft de kern onveranderd. Zij hebben recht op een dwangsom als het UWV te lang doet over hun aanvraag, en de minister heeft dat recht met zijn uitspraken in Buitenhof niet ter discussie gesteld. Zijn twijfel gaat juist over de vraag of het verstandig is dat recht tijdelijk weg te nemen.

Of de achterstanden bij het UWV op een andere manier worden aangepakt als de dwangsom blijft bestaan, is niet bekend. De minister noemde in Buitenhof geen alternatief voor de maatregel. Wat wel vaststaat, is de spanning die hijzelf benoemde: een maatregel die de uitvoering helpt kan tegelijk het vertrouwen in de rechtsbescherming aantasten. Die afweging ligt nu opnieuw bij de minister en de Tweede Kamer.










