Minister David van Weel van Justitie en Veiligheid heeft in de Tweede Kamer erkend dat het kabinet krachtiger moet optreden tegen ongewenste buitenlandse inmenging. Tijdens een commissiedebat op woensdag 14 oktober 2026 zei hij dat er ‘een aantal tandjes bij’ moeten. De Kamer wil dat het kabinet meer doet om te voorkomen dat andere landen de Nederlandse samenleving beïnvloeden.

Het debat draaide om de vraag of het kabinet het tempo van de dreiging bijhoudt. Kamerleden uit meerdere partijen vonden van niet en drongen aan op snellere maatregelen. Van Weel toonde zich ontvankelijk voor die kritiek en kondigde aan dat hij voor het einde van het jaar met meer duidelijkheid wil komen.
Minister erkent dat het kabinet meer moet doen
Van Weel liet in het debat weinig twijfel bestaan over zijn analyse. Volgens hem is de huidige aanpak niet toereikend en is aanscherping nodig. Zijn uitspraak dat er ‘een aantal tandjes bij’ moeten, vatte de teneur van zijn bijdrage samen: het kabinet wil strenger optreden dan nu het geval is.
Die conclusie is niet louter een reactie op Kamerdruk. Het kabinet zegt zelf dat steeds meer landen zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging. Die toename vormt een van de redenen waarom de minister vindt dat de bestaande instrumenten tekortschieten en dat nieuwe maatregelen niet kunnen wachten.
Intimidatie en spionage door China, Rusland en Iran
Bij ongewenste buitenlandse inmenging gaat het om meer dan beïnvloeding van het publieke debat. Het betreft ook intimidatie van voormalige landgenoten die in Nederland wonen. Landen als China, Rusland en Iran worden in dit verband genoemd als landen die mensen in Nederland onder druk zetten.
Daarnaast ging het in het debat om spionage door dezelfde landen. Intimidatie en spionage raken direct de veiligheid van mensen en de weerbaarheid van de rechtsstaat. Dat verklaart waarom de commissie voor Justitie en Veiligheid het onderwerp op de agenda zette en waarom beide betrokken ministers waren uitgenodigd.

Kamerleden vragen om tempo
Aan het debat deden de ministers van Justitie en Veiligheid en van Buitenlandse Zaken mee, in de Tweede Kamer voorbereid door een brief van de regering van 4 juni 2026 over de stand van zaken en het voorgenomen beleid. Het CDA-Kamerlid Tijs van den Brink trad op als een van de woordvoerders.
Bente Becker (VVD) vroeg of het kabinet het sneller kan regelen. Songül Mutluer (PRO) stelde: ‘Dit heeft haast.’ Mpanzu Bamenga (D66) vindt dat alles op alles moet worden gezet. Van den Brink wees erop dat de intimidatie intussen gewoon doorgaat en vroeg of het ‘alsjeblieft een beetje sneller’ kan.
Meldpunt komt pas medio 2028
Het concrete knelpunt is het meldpunt voor slachtoffers van buitenlandse intimidatie. Het kabinet meldde eerder deze week dat dit meldpunt er pas medio 2028 komt, omdat de vereiste juridische grondslag ontbreekt. Een meerderheid van de Kamer vindt dat veel te laat voor mensen die nu al worden bedreigd.
De belofte is niet nieuw. Het toenmalige kabinet zegde het meldpunt al vier jaar geleden toe. Slachtoffers zouden er hun verhaal moeten kunnen doen en hulp kunnen vragen. Volgens de Kamer is het onaanvaardbaar dat zij zo lang op zo’n voorziening moeten wachten.
Privacywet legde meldpunt stil
Van Weel trok in het debat het boetekleed aan. ‘Ik deel uw frustratie hier’, zei hij. Volgens de minister was het meldpunt klaar om de lucht in te gaan, toen het ministerie erachter kwam dat de vertrouwenslijn niet voldeed aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Om aan die privacywetgeving te voldoen, moet een nieuw wetgevingstraject worden gestart. Dat kost tijd, en juist daarom ontstaat de lange vertraging. Van Weel zei te proberen dat traject te versnellen, zodat het meldpunt eerder kan opengaan dan de nu genoemde datum medio 2028.

Tijdelijk alternatief en strengere wetgeving
In de tussentijd zoekt de minister naar een tijdelijk alternatief voor het meldpunt. Veel details kon hij daar nog niet over geven. Hij hoopt voor het einde van het jaar meer duidelijkheid te bieden over hoe slachtoffers in de tussentijd terechtkunnen en wat het kabinet daarvoor regelt.
Daarnaast komt Van Weel eind dit jaar met plannen voor strengere wetgeving tegen buitenlandse inmenging. Wat die plannen precies inhouden, is nog niet bekend. Het jaareinde is daarmee het moment waarop de Kamer kan beoordelen of de erkenning van de minister ook tot concrete stappen leidt.
Weinig aangifte van intimidatie
Een extra reden voor een laagdrempelig meldpunt is dat slachtoffers zelden naar de politie stappen. Van intimidatie van de diaspora wordt weinig aangifte gedaan. Volgens de minister pakt de politie dergelijke zaken wel altijd op, maar zonder aangifte blijft het zicht op de omvang van het probleem beperkt.
De hoop is dat een meldpunt de drempel voor slachtoffers verlaagt. Wie bang is voor repercussies, hetzij voor zichzelf, hetzij voor familie in het land van herkomst, kan zo makkelijker aan de bel trekken. Dat maakt het meldpunt volgens de minister waardevol, ook al duurt de invoering nog jaren.
Eerdere plannen voor detectie van inmenging
Het debat van 14 oktober bouwt voort op eerdere stappen. In juni werkte het kabinet onder leiding van minister Pieter Heerma van Binnenlandse Zaken al aan een organisatie die buitenlandse inmenging structureel kan detecteren. Hij wilde daarbij leren van landen als Taiwan en Zweden, die daar volgens hem verder in zijn.

Rond de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026 liep een detectiepilot voor buitenlandse informatiemanipulatie. Heerma zegde toe dat hij voor het einde van dit jaar duidelijkheid geeft over het detectieorgaan en dat de bijbehorende wetgeving in consultatie gaat. Daarmee loopt een tweede lijn naast de maatregelen van Van Weel.










