Een stilzwijgen volstaat straks niet meer. Het Europees Parlement dringt aan op een fundamentele herziening van de Europese wetgeving rond seksuele toestemming. Wie geen uitdrukkelijk ‘ja’ geeft, stemt niet in met seks, en dat moet voortaan ook strafrechtelijk gelden als verkrachting. De discussie raakt de kern van hoe Europa omgaat met slachtoffers van seksueel geweld.
Een definitie die lidstaten verdeelt
De discussie over de definitie van seksuele toestemming sleept al jaren mee binnen de Europese Unie. In veel lidstaten geldt nog altijd het principe dat verzet bewezen moet worden voordat iets juridisch als verkrachting kwalificeert. Dat is precies het punt waarop het Europees Parlement wil breken met de bestaande praktijk. De nieuwe benadering draait het om: toestemming moet actief en uitdrukkelijk zijn gegeven, en het ontbreken ervan is genoeg voor een veroordeling.
Daarnaast speelt ook de bredere Europese rechtstraditie een rol. In landen als Zweden en Duitsland is een op toestemming gebaseerde wetgeving al ingevoerd. Echter geldt in grote delen van Zuid- en Oost-Europa nog het verzetsmodel. Het Europees Parlement wil die kloof nu overbruggen via een Europese richtlijn die lidstaten verplicht hun wetgeving aan te passen.
Bovendien is de roep om hervorming de afgelopen jaren gegroeid, mede onder invloed van de #MeToo-beweging en toenemende maatschappelijke druk van vrouwenrechtenorganisaties. Zij wijzen erop dat het huidige systeem slachtoffers de bewijslast oplegt, terwijl daders structureel vrijuit gaan.
Wat de nieuwe norm precies inhoudt
Het principe achter het voorstel is helder. Seks zonder een expliciete ‘ja’ is geen seks met instemming, en wie zich niet uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard, heeft geen toestemming gegeven. Dat klinkt eenvoudig, maar de juridische gevolgen zijn verreikend. Bestaande strafwetboeken in meerdere EU-landen zouden ingrijpend moeten worden herschreven.
Vervolgens rijst de vraag hoe rechters en openbare aanklagers in de praktijk omgaan met het aantonen van het ontbreken van toestemming. Voorstanders stellen dat de nieuwe norm slachtoffers beschermt en hen niet langer dwingt aan te tonen dat zij zich verzet hebben. Critici waarschuwen echter voor bewijsproblemen in de rechtszaal en vragen zich af hoe rechters vaststellen of toestemming al dan niet gegeven is.
Brede agenda voor het parlement
De stemming over seksuele toestemming valt samen met een drukke agenda in Straatsburg. Op dezelfde dag, 28 april 2026, stemde het Europees Parlement met 370 stemmen voor en 201 tegen in met het mandaat voor de EU-meerjarenbegroting 2028-2034. Het parlement wil daarvoor een begroting van 2200 miljard euro. Dat is 10 procent hoger dan het voorstel van de Europese Commissie.
Bovendien wil het Europees Parlement nieuwe inkomstenbronnen aanboren. Daarom overweegt het parlement een belasting op crypto en op online gokken. Die inkomsten moeten helpen de hogere begroting te financieren zonder de lidstaten te zwaar te belasten. Beide dossiers, de begroting en het wetgevingstraject rond seksuele toestemming, tonen aan dat het parlement in één week vergaande keuzes maakt die miljoenen Europeanen direct raken.
Impact op slachtoffers en rechtssystemen
Voor slachtoffers van seksueel geweld kan de nieuwe definitie een grote stap vooruit betekenen. Zij hoeven straks niet langer te bewijzen dat zij weerstand hebben geboden of schreeuwden om hulp. Dat het systeem de lat voor slachtoffers structureel hoog legt, is een bezwaar dat vrouwenrechtenorganisaties al jaren aandragen. De nieuwe norm neemt dat bezwaar weg, zo stellen voorstanders.
Echter moeten rechtssystemen van de lidstaten wel mee evolueren. Rechters, openbare aanklagers en advocaten zullen nieuwe jurisprudentie moeten opbouwen rond de vraag wat expliciete toestemming inhoudt. Dat vraagt om training, aanpassing van procedures en in veel landen ook om politieke wil. Niet alle lidstaten staan te springen om hun wetboek te herschrijven op aandringen van Brussel.
Politieke weerstand en bredere context
De voorgestelde richtlijn stuit op weerstand in een aantal lidstaten. Conservatieve partijen stellen dat strafrechtelijk beleid een nationale bevoegdheid is en dat Europese wetgeving niet moet ingrijpen in de inrichting van het nationale strafrecht. Daarom loopt het wetgevingstraject al geruime tijd, en is een definitief besluit nog niet gevallen.
Bovendien speelt de vraag of de EU juridisch bevoegd is om lidstaten te dwingen hun definitie van verkrachting aan te passen. Eerdere pogingen strandden mede op dit grondwettelijke bezwaar. Toch blijft het Europees Parlement druk uitoefenen. Het feit dat een meerderheid van de parlementsleden achter het principe staat, geeft de Europese Commissie een politiek signaal dat zij niet kan negeren.
Volgende stappen in het wetgevingsproces
Het Europees Parlement heeft zijn positie nu duidelijk gemaakt. Vervolgens is het aan de Europese Commissie en de Raad van de EU om te bepalen hoe het wetgevingsproces verder gaat. Als alle drie de instellingen het eens worden, kunnen lidstaten verplicht worden hun wet aan te passen. Dat proces kan jaren duren, maar de politieke druk neemt zichtbaar toe.
Daarmee staat Europa aan het begin van een mogelijk historische verschuiving in hoe het continent omgaat met seksueel geweld en de rechten van slachtoffers. De komende maanden zal blijken of de politieke wil groot genoeg is om de woorden van het parlement om te zetten in bindende wetgeving.
Bronnen en credits
Bronnen: Nieuws.nl, Volkskrant











