Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie (VVD) heeft de nieuwe wet die moet bepalen wie als zelfstandige kan werken concreter ingevuld. Dat staat in een Kamerbrief. Een belangrijk onderdeel ligt echter nog open: het minimumbedrag waarmee een zzp’er zich tegen risico’s moet beschermen is niet vastgesteld. Betrokkenen kunnen tot en met 29 oktober op het wetsvoorstel reageren.

Drie opdrachtgevers en een btw-nummer
Wie de zogenoemde zelfstandigentoets wil doorstaan, moet minstens drie opdrachtgevers hebben gehad. Dat geldt voor het voorgaande en het lopende kalenderjaar. De toets is daarmee gekoppeld aan een periode van ruim een jaar waarin de zzp’er aantoonbaar voor meerdere partijen werkte.
De zelfstandigentoets staat niet op zichzelf. Een zzp’er die wil aantonen dat hij als ondernemer werkt, moet de drie opdrachtgevers over twee kalenderjaren kunnen laten zien. Een zzp’er die nu al voor meerdere opdrachtgevers werkt en een btw-nummer heeft, zit dus al deels op het goede spoor. Het ministerie verwacht dat de toets duidelijkheid vooraf biedt, in plaats van achteraf.
Daarnaast moet de zelfstandige aan randvoorwaarden voldoen. Een voorbeeld is het hebben van een btw-nummer. Ook moet de zzp’er zich voor een minimumbedrag beschermen tegen risico’s, bijvoorbeeld met een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hoe iemand dat doet, bepaalt de zzp’er zelf: de voorzieningen mag hij vrij kiezen.
Minimumbedrag nog niet vastgesteld
Hoe hoog het minimumbedrag voor die bescherming wordt, is nog niet bekend. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wacht op input van betrokkenen. Zij kunnen vanaf het moment van de Kamerbrief tot en met 29 oktober op het wetsvoorstel reageren.
Het ministerie hoopt dat het bedrag is vastgesteld voordat de wet eind dit jaar of begin 2027 naar de Raad van State gaat. Het is dus nadrukkelijk een streven: of dat lukt, hangt af van de reacties en het vervolg van het wetgevingsproces.
Modelverklaring met looptijd wordt onderzocht
SZW bekijkt de mogelijkheid van een modelverklaring voor de zelfstandigentoets met een bepaalde looptijd, bijvoorbeeld een jaar. Daarmee hoeft niet bij elke opdracht opnieuw te worden getoetst. Het is nog niet zeker dat zo’n verklaring er komt. Tot die tijd moet de toets steeds opnieuw plaatsvinden.
Tweede toets kijkt naar zelfstandig werken
Naast de zelfstandigentoets komt er een tweede toets. Die gaat na of de zzp’er voldoende zelfstandig werkt. Een van de criteria is dat de zelfstandige in beginsel zelf beslist over werktijden en werklocatie. In de praktijk bestaan daarop uitzonderingen, bijvoorbeeld bij hoveniers.
Een ander criterium is dat de zelfstandige zelf bepaalt hoe een opdracht wordt uitgevoerd, los van protocollen. Dat geldt niet bij algemene regels. Een voorbeeld daarvan is de plicht voor bouwvakkers om een helm te dragen: een zzp’er in de bouw kan zich niet op zijn zelfstandigheid beroepen om die regel te negeren.

Het tweede toetsonderdeel richt zich op de dagelijkse praktijk van het werk. Het gaat erom of de zzp’er in beginsel zelf over werktijden en werklocatie beslist en zelf bepaalt hoe de opdracht wordt uitgevoerd. De uitzonderingen laten zien dat het ministerie rekening houdt met branches waar werktijden of locaties door de aard van het werk vastliggen, zoals bij hoveniers.
Wat betekent dit voor zzp’ers?
Volgens SZW-ambtenaren voegt de wet weinig toe voor zzp’ers die al zeker zijn van hun zelfstandigheid. Voor hen verandert er in de praktijk niet veel. Wie niet aan de criteria voldoet, kan bekijken wat nodig is om toch zelfstandige te blijven. Een andere keuze is overstappen naar loondienst.
Voor opdrachtgevers moet de wet duidelijkheid scheppen. Aartsen wijst op jaren van onduidelijkheid en op terughoudendheid bij opdrachtgevers om zzp’ers in te huren.
Aartsen: erkenning en duidelijkheid
“Na jaren van onduidelijkheid en onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers moet de nieuwe Zelfstandigenwet zorgen voor meer rust en vooral duidelijkheid onder zelfstandigen en opdrachtgevers”, zegt Aartsen. “We laten met duidelijke criteria vooraf zien hoe werken met en als zelfstandige(n) wél kan.”
De minister wijst erop dat er meer dan een miljoen zelfstandigen in Nederland werken. “Met deze wet geven we hen de erkenning die ze verdienen en bieden we duidelijkheid waar de markt om vraagt.”
Het wetsvoorstel volgt op een periode van onzekerheid voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. De Belastingdienst begon per 1 januari 2025 weer met handhaving op schijnzelfstandigheid, na ruim acht jaar zonder handhaving. Het kabinet besloot bovendien dat er in 2026 geen verzuimboetes worden opgelegd bij nieuw ontdekte gevallen. Naheffingen en boetes bij opzet of ernstige nalatigheid blijven wel mogelijk.
Beoogde invoering in 2028
De bedoeling is dat de wet op 1 januari 2028 ingaat. Eerst moet het wetsvoorstel het proces doorlopen, onder meer via de Raad van State. De planning is daarmee een voornemen en nog geen vaststaand feit.

De wet komt na een lange periode waarin de beoordeling van arbeidsrelaties onderwerp van discussie was. De Belastingdienst hervatte per 1 januari 2025 de handhaving op schijnzelfstandigheid. In maart 2026 schrapte het kabinet het verduidelijkingsdeel van het eerdere wetsvoorstel VBAR. De Zelfstandigenwet moet de criteria voor zelfstandigheid nu vooraf zichtbaar maken.










