Het kabinet wil dat contact met de overheid eenvoudiger wordt, maar de eerste resultaten liegen er niet om: het eigen doel bleef ongehaald. Staatssecretaris Eric van der Burg informeerde de Tweede Kamer maandag via een brief over zijn plannen, maar moest daarin ook bekennen dat de zomerdoelstelling niet is gehaald. Toch zet hij onverminderd door, met een opvallend nieuw instrument: de jaarlijkse vereenvoudigingswet.
Vier ministeries als vertrekpunt
De aanpak begint concreet bij vier departementen. Het gaat om de ministeries van Justitie en Veiligheid, Klimaat en Groene Groei, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Samen moeten zij de eerste lading aan regelwijzigingen aandragen voor de nieuwe wet. Daarna volgen de overige ministeries, al noemt Van der Burg geen concreet tijdpad voor die uitbreiding.

Opvallend is bovendien de scope van de operatie. De staatssecretaris benadrukt uitdrukkelijk dat het gaat om technische wetswijzigingen, niet om fundamentele herzieningen van bestaande stelsels. Daarmee tempert hij van meet af aan de verwachtingen. Burgers hoeven dus geen grote stelselwijzigingen te verwachten, maar wel kleinere verbeteringen die gezamenlijk een merkbaar effect moeten hebben op hun dagelijkse omgang met de overheid.
Zomerdoelstelling niet gehaald
De timing van de aankondiging is niet toevallig. Voor de zomer van 2026 lag er een ambitieuze doelstelling: vijfhonderd regels vereenvoudigen. Dat lukte niet. Uiteindelijk zijn er iets meer dan vierhonderd regels aangepast, een tekort van bijna honderd. Van der Burg erkent dit in zijn brief, maar verbindt er geen directe consequenties aan. Hij presenteert de uitkomst als een tussenresultaat, niet als een mislukking.
Toch is het gemiste doel veelzeggend. Het illustreert hoe taai de bureaucratie is, zelfs als de politieke wil aanwezig is om te snijden. Elk ministerie heeft zijn eigen wet- en regelgeving, zijn eigen uitvoeringsorganisaties en zijn eigen juridische kaders. Bovendien vereist elke aanpassing van de wet een zorgvuldige procedure, inclusief advies van externe organen. Dat alles maakt vereenvoudigen in de praktijk aanzienlijk complexer dan het klinkt.
Snellere procedure als oplossing
Om dat probleem te omzeilen, stelt Van der Burg een versnelde aanpak voor. De vereenvoudigingswet krijgt een kortere inspraaktermijn dan gewone wetgeving. Burgers en organisaties kunnen vier weken lang ideeën indienen, terwijl dat bij reguliere wetten zes weken is. Daarnaast krijgen adviesorganen, zoals de Raad van State, minder bedenktijd. Het effect is dat de wet na ongeveer een jaar in werking treedt in plaats van na twee jaar.
Dat is een opvallende keuze, want de Raad van State speelt een cruciale rol als onafhankelijk adviseur van de wetgever. Minder tijd voor dat college betekent ook minder ruimte voor kritische toetsing. Voorstanders zullen zeggen dat de snelheid noodzakelijk is om de ambitie geloofwaardig te houden. Critici kunnen echter vragen of haast ten koste gaat van zorgvuldigheid.

Financiële belofte uit het coalitieakkoord
De bredere ambitie kent ook een financiële dimensie. In het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA staat dat een efficiëntere overheid jaarlijks tot 400 miljoen euro kan opleveren. Dat is een aanzienlijk bedrag, maar het betreft een verwachting voor de langere termijn. Hoeveel de eerste vereenvoudigingswet afzonderlijk moet opleveren, staat niet vermeld in de brief aan de Tweede Kamer. Van der Burg houdt die kaarten vooralsnog tegen de borst.
Bovendien is de 400 miljoen een bovengrens uit het akkoord, geen garantie. Of die opbrengst werkelijk wordt gerealiseerd, hangt af van de schaal en het tempo van de hervormingen. Dat maakt het een politieke belofte waarvan de concretisering nog grotendeels moet plaatsvinden.
Wat betekent dit voor burgers
Voor gewone burgers is de vraag wat zij concreet merken van deze operatie. Het kabinet belooft dat contact met de overheid eenvoudiger wordt. Denk daarbij aan minder formulieren, duidelijkere regels en soepelere procedures bij zaken als een bouwvergunning, een uitkering of een studiefinanciering. Ook uitvoeringsorganisaties, zoals gemeenten en uitkeringsinstanties, moeten profiteren van eenvoudigere wetgeving.
Echter, omdat het in eerste instantie om technische aanpassingen gaat, zal de verandering voor de meeste burgers aanvankelijk niet spectaculair voelen. De winst zit hem in de optelsom van kleine verbeteringen. Pas als de jaarlijkse vereenvoudigingswetten zich opstapelen, wordt het cumulatieve effect merkbaar. Dat vereist ook politieke continuïteit: elk volgend kabinet moet de lijn doorzetten.

Aanpak die nog bewezen moet worden
De keuze voor vier ministeries als startpunt is strategisch. Door klein te beginnen, kan het kabinet de aanpak verfijnen voordat de overige departementen aanhaken. Tegelijk roept het de vraag op of de ambitie groot genoeg is om echt verschil te maken. Meer dan vierhonderd regels versimpeld klinkt indrukwekkend, maar de Nederlandse overheid telt tienduizenden wettelijke bepalingen. De tocht is dus lang.
Daarnaast zijn eerdere pogingen om de overheid slanker en slagvaardiger te maken meermalen vastgelopen. De naam van de portefeuille, Slagvaardige Overheid, verraadt de ambitie. Of die slagvaardigheid ook in de praktijk stand houdt, zal de komende jaren moeten blijken. De Tweede Kamer ontvangt de plannen en zal zich er op korte termijn over buigen.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl











