Het begon op 2 maart 2026 met een hervatting van raketbeschietingen door Hezbollah op Israël. Sindsdien is Libanon het toneel van een verwoestende militaire campagne die al meer dan vijf weken duurt. Volgens het Libanese ministerie van Gezondheid zijn er inmiddels 1497 doden gevallen en raakten meer dan 4600 mensen gewond. Wat de situatie nog dramatischer maakt: ook degenen die anderen probeerden te redden, zijn niet gespaard gebleven.
Hezbollah opent vuur, Israël slaat terug
De oorzaak van de huidige escalatie ligt bij Hezbollah, de sjiitische Libanese beweging die op 2 maart opnieuw begon met het bestoken van Israël met raketten en andere projectielen. Israël beschouwt dit als een directe aanleiding voor zijn militaire operaties en spreekt van een tegenaanval. Volgens Israëlische bronnen heeft Hezbollah inmiddels circa 6000 projectielen afgeschoten richting Israëlisch grondgebied. Daarvan is, aldus dezelfde bronnen, de helft afgevuurd vanuit het zuiden van Libanon, ten zuiden van de rivier de Litani. Onafhankelijk verificatie van dit getal ontbreekt vooralsnog.
Het Israëlische leger reageert met luchtaanvallen en grondoperaties in het zuidelijke deel van Libanon. Daarmee is de cyclus van geweld die de regio al jaren kenmerkt, opnieuw in een hevige fase beland. De internationale gemeenschap volgt de situatie met grote zorg, maar concrete diplomatieke doorbraken blijven uit. Bovendien neemt de humanitaire druk met de dag toe.
Dodentol loopt snel op
Het Libanese ministerie van Gezondheid publiceerde maandag 6 april 2026 de meest recente cijfers. Tussen 2 maart en 6 april kwamen 1497 mensen om het leven als gevolg van de Israëlische aanvallen. Op maandag zelf vielen opnieuw nieuwe slachtoffers, waardoor het totale dodental verder oploopt. Meer dan 4600 mensen raakten in diezelfde periode gewond. De cijfers zijn afkomstig van Libanese autoriteiten en worden niet door onafhankelijke bronnen bevestigd, maar geven een indringend beeld van de schaal van het geweld.
Verreweg het meest schokkende detail in het rapport is echter het lot van de hulpverleners zelf. Onder de 1497 doden bevinden zich 57 mensen die medische hulp boden op het moment dat zij werden gedood. Artsen, paramedici en andere zorgverleners die in een actieve oorlogszone proberen levens te redden, zijn daarmee zelf slachtoffer geworden. Dat gegeven roept ernstige vragen op over de naleving van het internationaal humanitair recht.
Zorgverleners vallen als slachtoffers
Het verlies van 57 hulpverleners is meer dan een statistiek. Het staat symbool voor de ineenstorting van het onderscheid tussen combattanten en niet-combattanten, dat de kern vormt van het internationaal humanitair recht. Ziekenhuizen, ambulances en medisch personeel genieten in principe bijzondere bescherming onder de Conventies van Genève. Toch wijzen de Libanese cijfers erop dat deze bescherming in de praktijk niet standhield. Internationale organisaties, waaronder het Rode Kruis, hebben eerder al gewaarschuwd voor aanvallen op medische infrastructuur in conflictgebieden.
Bovendien heeft het verlies van hulpverleners directe gevolgen voor de rest van de bevolking. Wanneer artsen en paramedici worden gedood, valt ook de zorg voor de gewonden deels weg. Meer dan 4600 gewonden hebben dringende medische aandacht nodig, terwijl het zorgsysteem in Libanon al zwaar onder druk stond vóór het uitbreken van dit nieuwe geweld. De combinatie van grote aantallen slachtoffers en een falende medische keten vormt een humanitaire noodtoestand.
Litani-rivier als omstreden grens
Israël heeft een duidelijk militair doel in de regio geformuleerd. Het land wil het gebied innemen tussen de rivier de Litani en de Israëlische noordgrens. Dat gebied is vanouds een strategisch doornenveld. De rivier de Litani vormde al decennialang een informele scheidslijn in de machtsstrijd tussen Israël en Hezbollah. Nu klinken echter radicalere geluiden. Sommige Israëlische politici zouden de Litani voortaan als de officiële noordgrens van Israël willen beschouwen, en de Libanese bevolking uit dat gebied willen verdrijven. Het betreft vooralsnog politieke uitspraken, geen vastgesteld beleid.
Die uitspraken wakkeren de angst aan onder Libanese burgers in het zuiden van het land. Velen zijn al op de vlucht geslagen voor het geweld. De dreiging van gedwongen verplaatsing voegt een nieuwe laag toe aan een al buitengewoon complexe situatie. Daarnaast liggen de herinneringen aan eerdere Israëlische militaire operaties in Zuid-Libanon, zoals in 2006, nog vers in het geheugen van veel Libanezen.
Breed conflict met diepe wortels
De huidige escalatie staat niet op zichzelf. Ze past in een patroon van periodiek geweld tussen Israël en Hezbollah dat teruggaat tot de jaren tachtig. Hezbollah wordt door Israël, de Verenigde Staten en de Europese Unie als terroristische organisatie beschouwd. De beweging wordt financieel en militair gesteund door Iran. Daarmee is het conflict in Libanon ingebed in een bredere regionale rivaliteit, waarbij meerdere grootmachten indirect betrokken zijn. Elke escalatie draagt het risico in zich van een bredere regionale brand.
Tegelijkertijd is het Libanese staatsgezag zwak. De centrale overheid in Beiroet heeft nauwelijks grip op de acties van Hezbollah in het zuiden van het land. Dat maakt een politieke oplossing extra moeilijk. Internationale bemiddelaars proberen al jaren een duurzame wapenstilstand te bewerkstelligen, maar zonder succes.
Situatie blijft gevaarlijk instabiel
Maandag 6 april vielen opnieuw slachtoffers bij Israëlische aanvallen op Libanon. Het dodental van 1497 dat het Libanese ministerie van Gezondheid publiceerde, loopt daarmee verder op. De komende dagen en weken zullen uitwijzen hoe ver de militaire operatie reikt en of er diplomatieke ruimte ontstaat voor een staakt-het-vuren. Voorlopig heerst er geen enkel signaal dat het geweld op korte termijn zal afnemen, terwijl de humanitaire situatie voor de Libanese bevolking met elk uur dat verstrijkt nijpender wordt.











