Een Syriëganger met zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit kan zijn Nederlanderschap kwijtraken. De Raad van State oordeelde woensdag dat de minister van Justitie en Veiligheid die nationaliteit toch mag intrekken. De Amsterdamse rechtbank had het intrekken in deze zaak eerder als discriminatie bestempeld. De hoogste bestuursrechter komt tot een andere conclusie, en die draait om één vraag: wat betekent het dat iemand een tweede paspoort heeft dat hij niet kan inleveren?

Een Nederlander met een Marokkaans paspoort dat hij niet kan afgeven
De man is geboren in Nederland. Later kreeg hij samen met zijn ouders de Nederlandse nationaliteit. Via zijn ouders hield hij daarbij tegelijkertijd een Marokkaans paspoort. Van die Marokkaanse nationaliteit kan hij geen afstand doen. Dat laatste is de kern van de zaak, want het bepaalt dat hij anders wordt behandeld dan iemand die alleen Nederlander is.

De man sloot zich in Syrië aan bij terroristische groepen. Volgens een eerdere publicatie over de zaak zat hij daarvoor een straf van vijf jaar en vier maanden uit, als lid van de organisaties Ahrar al-Sham en Jund al-Aqsa. Toen hij weer vrij was, wilde Justitie en Veiligheid zijn Nederlandse nationaliteit intrekken.

Waarom alleen mensen met een tweede nationaliteit worden getroffen
Een nationaliteit intrekken kan alleen als iemand ook een andere nationaliteit heeft. Het is verboden om iemand stateloos te maken. Dat klinkt als een logische waarborg, maar het heeft een merkbaar gevolg. Wie alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, kan die niet worden afgenomen, hoe ernstig zijn misdrijven ook zijn. Wie er een tweede bij heeft, loopt dat risico wel.

Ook de Raad van State erkent dat hierdoor een onderscheid ontstaat tussen mensen met en zonder dubbel paspoort. Over de vraag hoe zwaar dat onderscheid moet wegen, verschilden rechtbank en Raad van State van mening.
Drie vrienden, één misdrijf, drie uitkomsten
De Amsterdamse rechtbank maakte het probleem eerder inzichtelijk met een voorbeeld van drie vrienden die voor hetzelfde terroristische misdrijf zijn veroordeeld. Toch zouden ze volgens de rechtbank verschillend worden gestraft. De Nederlander met alleen een Nederlands paspoort verliest nooit zijn Nederlanderschap. Degene met zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit verliest het altijd, omdat hij geen afstand kan doen van zijn Marokkaanse nationaliteit. Degene met een Turkse en Nederlandse nationaliteit verliest zijn Nederlanderschap ook, tenzij hij zelf afstand doet van zijn Turkse nationaliteit.

Rechtbank: onderscheid op grond van afkomst
Op basis van die redenering concludeerde de rechtbank dat de wet in dit geval leidt tot direct onderscheid op grond van afkomst. De rechtbank schreef dat mensen met een dubbele nationaliteit, in tegenstelling tot mensen met alleen de Nederlandse nationaliteit, altijd nadelig worden getroffen door de toepassing van de wet. Daarom was het intrekken van het Nederlanderschap volgens de rechtbank discriminatie, en mocht de Syriëganger zijn nationaliteit houden.

Raad van State: indirect onderscheid
De Raad van State kijkt anders naar dezelfde feiten. Waar de Amsterdamse rechter sprak van direct onderscheid, is het onderscheid volgens de hoogste bestuursrechter alleen indirect. De Raad legt het verschil uit: “Met indirect onderscheid wordt weliswaar niet openlijk gediscrimineerd, maar leiden neutrale en objectieve criteria in feite tot dat resultaat.” De wet verwijst niet naar afkomst, maar het criterium van een tweede nationaliteit raakt in de praktijk bepaalde groepen sterker.

In dit geval mag dat volgens de Raad van State. Zo’n indirect onderscheid is alleen toegestaan als er een legitiem doel en voldoende noodzaak voor is. Die voorwaarden zijn hier volgens de Raad vervuld.
Waarom de Raad de intrekking gerechtvaardigd vindt
De Raad van State onderbouwt het oordeel met de aard van de misdrijven. “Door het plegen van terroristische misdrijven heeft de man zich zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan”, schrijft de Raad. Daarmee ziet de hoogste bestuursrechter een legitiem doel in het intrekken van de nationaliteit en acht hij de maatregel noodzakelijk.

Eerdere uitspraken: intrekken kan, maar niet altijd
De uitspraak past in een reeks zaken over het intrekken van het Nederlanderschap van uitreizigers. Op 17 april 2019 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de nationaliteit niet mocht worden ingetrokken van twee mannen die zich in 2013 en 2014 aansloten bij strijdgroepen in Irak en Syrië. Die groepen stonden toen nog niet op de wettelijke lijst van verboden organisaties, en dat gebeurde pas in 2017.

De wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in 2017 maakt intrekking mogelijk wanneer iemand zich aansluit bij een organisatie op de lijst van terroristische organisaties. Die wetswijziging heeft geen terugwerkende kracht, zo bepaalde de Raad van State in 2019. Wel benadrukte de Raad toen dat de mogelijkheid van intrekking blijft bestaan voor personen die op het moment van de wetswijziging aangesloten waren bij een organisatie op de lijst, of zich daarna aansluiten.

Wat de uitspraak betekent voor de zaak
Met het oordeel van woensdag heeft de minister van Justitie en Veiligheid de ruimte om het Nederlanderschap van de man in te trekken. Het oordeel betekent dat het besluit juridisch stand kan houden. Dat het Nederlanderschap daadwerkelijk is ingetrokken, staat daarmee nog niet vast.

Eerder hadden juristen gewaarschuwd voor het risico op rassendiscriminatie bij het intrekken van het Nederlanderschap, en experts stelden dat het in strijd zou kunnen zijn met internationale verdragen. De Raad van State schaart zich met zijn uitspraak niet achter die lezing, maar erkent wel dat de wet een onderscheid maakt tussen mensen met en zonder dubbel paspoort.










