Slechts vier Nederlandse gemeenten halen sinds 2022 consequent hun wettelijke verplichting om statushouders te huisvesten. De overige 338 gemeenten schieten op gezette tijden tekort, en de gevolgen stapelen zich op in asielzoekerscentra die al maanden overvol zitten. Nieuw cijfermateriaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken laat zien hoe diep de bestuurlijke kloof werkelijk is, en hoe weinig urgentie er tot nu toe is gevoeld om die te dichten.

Wettelijke plicht, structureel verzuim
Elke Nederlandse gemeente heeft een wettelijke taak: mensen van wie de asielaanvraag is goedgekeurd, moeten een woning krijgen. Het kabinet stelt daarvoor elk halfjaar een concreet doel per gemeente vast. Dat doel is gebaseerd op het inwonertal van de gemeente en op eventuele achterstanden uit voorgaande perioden. Toch lukt het de overgrote meerderheid van gemeenten niet om aan die verplichting te voldoen.

Uit een analyse van het ANP op basis van cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat 246 gemeenten in het eerste halfjaar minder statushouders aan een woning hebben geholpen dan wettelijk verplicht was. Dat is ruim zeven op de tien van alle 342 gemeenten in Nederland. Bovendien voldoen zestig gemeenten al járen niet aan de taakstelling, wat aantoont dat het probleem niet nieuw is en ook niet vanzelf verdwijnt.

Tekort loopt op tot bijna negenduizend plaatsingen
De opgave voor het eerste halfjaar was helder: alle 342 gemeenten samen moesten 23.933 statushouders aan een woning helpen. Daarvan kwamen gemeenten uit op slechts 15.078. Dat betekent een tekort van 8.855 plaatsingen. Op papier klinkt dat als een bureaucratisch getal. In de praktijk vertaalt het zich naar duizenden mensen die onnodig lang in asielzoekerscentra verblijven.

Volgens cijfers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) bezetten statushouders op dit moment 19.000 van de 83.000 bedden in de asielzoekerscentra. Dat zijn bedden die eigenlijk beschikbaar zouden moeten zijn voor asielzoekers die hun procedure nog doorlopen. Door die verstopping loopt de druk op de opvang verder op. In Ter Apel, het belangrijkste aanmeldcentrum van Nederland, moeten mensen daardoor overdag buiten wachten.

Slechts vier gemeenten halen de lat altijd
Opvallend is hoe weinig gemeenten er zijn die hun taak wél structureel nakomen. Sinds 2022 zijn er maar vier: Midden-Groningen, Den Bosch, Waalwijk en Maassluis. Zij hebben het wettelijke doel dat Den Haag hen oplegde nooit gemist. Momenteel voldoen 96 gemeenten aan de actuele taakstelling, maar dat is een momentopname. Het zegt niets over continuïteit of historische prestaties.

Waarom presteren zo weinig gemeenten consistent? Een belangrijk antwoord ligt in het chronische woningtekort. Gemeenten kunnen de wil hebben om statushouders te huisvesten, maar als de beschikbare woningvoorraad niet toereikend is, schiet ook de beste intentie tekort. Bovendien voelen gemeenten weinig directe druk vanuit hogere overheden om hun achterstand in te lopen.

Provincies kiezen voor overleg boven ingrijpen
Formeel ligt het toezicht bij de provincies. Zij mogen ingrijpen wanneer een gemeente herhaaldelijk haar taakstelling niet haalt. In dat geval kan een provinciebestuur zelf, op kosten van de nalatige gemeente, voor huisvesting zorgen. Toch zijn provincies daar tot nu toe bijzonder terughoudend in geweest. Vorige maand lieten provincies weten dat zij gemeenten liever ondersteunen dan aansturen vanuit een dwingende positie.

Twee provincies kiezen echter voor een hardere lijn. Zuid-Holland heeft vier gemeenten expliciet gewaarschuwd: als hun huisvesting van statushouders op 1 april volgend jaar nog niet op orde is, neemt de provincie het heft in eigen hand en verhaalt de kosten op die gemeenten. Ook Limburg heeft eenzelfde stap bij één gemeente in het vooruitzicht gesteld. De namen van de betrokken gemeenten zijn niet bekendgemaakt.

Minister houdt boot af
Op rijksniveau is de toon tot nu toe opmerkelijk voorzichtig. Woonminister Elanor Boekholt-O’Sullivan van D66 liet begin juni weten dat zij gemeenten op dit moment niet van plan was aan te spreken op hun tekortkomingen. Ze zei daarover in gesprek te zijn met gemeenten en vond het daarom “echt heel raar” om al stevige uitspraken te doen. Critici zullen daarin echter een gebrek aan urgentie herkennen, nu de cijfers zo onmiskenbaar zijn.

De minister bevindt zich daarmee in een lastige positie. Enerzijds ligt de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij gemeenten en het toezicht bij provincies. Anderzijds stelt het kabinet de taakstelling vast en draagt het de politieke eindverantwoordelijkheid voor het asielbeleid. De spanning tussen die twee niveaus is zichtbaar in de moeizame uitvoering op de grond.

Structureel probleem vraagt om structurele oplossing
Het bredere plaatje is verontrustend. Niet alleen lopen asielzoekerscentra vol doordat statushouders er te lang verblijven. Ook raken nieuwe asielzoekers daardoor langer in de wachtrij. Bovendien dragen de achterstanden bij aan maatschappelijke druk en politiek debat over het asielbeleid, terwijl de oorzaak in dit geval niet bij de instroom maar bij de uitstroom ligt: mensen die mogen blijven, maar geen huis kunnen vinden.

De analyse toont bovendien aan dat dit geen incidenteel falen is. Zestig gemeenten laten al jaren steken vallen. Dat patroon wijst op systemische knelpunten, waaronder het hardnekkige woningtekort, beperkte ambtelijke capaciteit en politieke weerstand in sommige regio’s. Zolang die onderliggende factoren niet worden aangepakt, zullen de tekortcijfers elk halfjaar opnieuw in beeld komen.

Vooralsnog ligt de bal bij de provincies. Zuid-Holland en Limburg laten zien dat er ruimte is voor een striktere aanpak. Of andere provincies dat voorbeeld volgen, of dat het kabinet alsnog kiest voor meer centrale sturing, wordt de komende maanden duidelijk. De deadline van 1 april 2027 die Zuid-Holland stelt aan zijn nalatige gemeenten, geeft daarvoor een eerste concrete toetssteen.
Bronnen en credits
Bronnen: Ditjes & Datjes, Nieuws.nl










